Molen Bovenste molen, Venlo

Venlo, Limburg
v

korte karakteristiek

naam
Bovenste molen
modeltype
Watermolen
functie
korenmolen, verfmolen
bouwjaar
verdwenen
toestand
verdwenen
beek
Sprank- of Sprunkbeek
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt  
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt
Ten Bruggencate-nr.
03903 c
oude dbnr.
V2099
Meest recente aanpassing
| Eigendomsvorm
media-bestand
Molen 03903 c Bovenste molen (Venlo)
Ansichtkaart, collectie Jan van der Molen

locatie

plaats
Venlo
plaatsaanduiding
Bovenste Molenweg 12, ten zuiden van Venlo
beek
Sprank- of Sprunkbeek
gemeente
Venlo, Limburg
streek
Noord-Limburg
kadastrale aanduiding 1811-1832
Venlo G (1) 223 Pieter Hendrik Michels, molenaar
geo positie
X: 209887, Y: 373678
N: 51.34965, O: 6.17507

constructie

modeltype
Watermolen
krachtbron
water
kenmerken
functie
gangwerk
wateras
rad
rad diameter
2 raderen
afbeelding van onze ondersteuners

geschiedenis

toestand
verdwenen
bouwjaar
circa 1615 verwoest, 1620 hersteld 1760 verbrand, 1766 herbouwd
verdwenen
1902 verbrand, 1907 herbouwd 1907 verbrand 1927 onttakeld?
molenmaker
De vader van eerder genoemde A.J.C. van Gorp,
eigendomshistorie

Petrus van Gorp (geb. 16-3-1853 - overl.16-01-1917 , molenaar)  gehuwd 12-5-1880 met Johanna Reijnen geb. 6-1-1854.
Zijn zoon 
Antonius Joannes Cornelis van Gorp uit Tilburg (geb.21-07-1884) is een aantal jaren van ca 1915-1920 als molenaar(s) aanwezig geweest op deze molen. 

Hij was gehuwd met Theodora Reintjes, er werd 1 dochter geboren. Daarna vertrok A. J. van Gorp weer naar Tilburg  als graan- en meelreiziger. 


geschiedenis

De Bovenste en de Onderste Molen werden rond 1426 gebouwd.

Beide werden in 1615 door graaf Herman van den Berg verwoest en verbrand; in 1620 werden ze door de Regering hersteld.

Bron: Bijdragen tot de Geschiedenis van Venlo IV: De straten te Venlo, Henri H.H. Uyttenbroeck, 1914. Herdrukt 1977 door Vroom en Dreesman.
Coll. H. van der Kaay.
-----

De Bovenste Molen lag evenals de Onderste Molen ten zuiden van Venlo, in de driehoek waar de spoorlijnen naar Roermond en Kaldenkirchen samenkomen.

Ten zuiden van de molens strekte zich in de 19e eeuw een groot heidegebied uit, de Jammersdaalsche Heide genoemd. In de eerste helft van deze eeuw lagen de molens in een aantrekkelijke groene omgeving. Ze werden daardoor geliefde ontspanningsoorden. Uiteindelijk was dit mede de oorzaak, dat zij al vroeg in deze eeuw hun oorspronkelijke functie verloren.

De Bovenste Molen lag aan de rechterzijde in dit gebied, dat de Bantuin werd genoemd, vlakbij de spoorlijn naar Kaldenkirchen, waaraan de molenvijver grensde.
De oorspronkelijke molen brandde in 1760 af.
Hij was toen eigendom van Franciscus Gerardus Ruys, Heer van Blerick, en zijn twee dochters Catharina en Clara. In 1765 verkochten zij de grond en de rechten aan Michaël Michels, die nog in hetzelfde jaar met de herbouw van de molen begon.

Michaël Michels kwam oorspronkelijk uit de Meyerij (N.B.). Hij vestigde zich later te Viersen (D.), waar hij met Gertrudis Muggen in het huwelijk trad.
Hij overleed in 1800, waarna de molen in bezit kwam van zijn zoon Mathias Michels en vervolgens na diens overlijden in 1827 aan de zoon Pieter Hubertus (Pieter Hendrik volgens het kadaster) Michels. Deze P.H. Michels bezat 16 eigendommen, waaronder het huis met de watergraan- en verfstofmolen. De laatste molen had een van die merkwaardige inrichtingen, die een aantal Limburgse watermolens kenmerkte.

Van de Bovenste Molen mag worden aangenomen dat er inderdaad verfstof werd vervaardigd.
Met een verfstofmolen werd droog verfhout gemalen. Bepaalde houtsoorten leveren na het malen een kleurstof op. Het gekloofde hout werd eerst met de hand of op een snijbank verspaand en vervolgens onder de kantstenen van een kollergang, die voor dat doel vlak en enigszins poreus moesten zijn, fijn gemalen. Het poeder werd daarna uit het maalproduct gezeefd. De verfstof werd onder andere in de linnen-, papier- en de wolindustrie gebruikt.

In 1844 verkocht P.H. Michels zijn bezittingen 'Aan de Bovenste Houtmolen' zoals de molen werd genoemd, aan Johan Meinhard Zilissen, koopman in Kaldenkirchen (D.). Deze liet de verfstofmolen uitbreken en een oliemolen bijbouwen, waarin mogelijk de kollergang van de verfstofmolen is geplaatst. In 1857 werd de molen voor het eerst door de provinciale waterstaat opgenomen.
Hij had toen twee houten bovenslagraderen, die door een vijver van water werden voorzien.

De graanmolen had een waterrad met een middellijn van 3,16 m en een breedte van 1,00m.
De oliemolen had een waterrad met een middellijn van 3,14 m en een breedte van 0,98 m.
De molenvijvers werden op peil gehouden door de Sprank- of Sprunkbeek, die door bronnen werd gevoed.

Bij deling van de nalatenschap in 1870 werd de graan- en oliemolen met huis, pakhuis, stal, erf, vijver en het daar omheen groeiende hout toegewezen aan Johan Meinhart Zilissen. In 1877 lieten de kinderen-erfgenamen het eigendom ‘De Bovenste Molen’ publiek verkopen. De verkoopakte vermeldt ook een schorsmolen; deze maakte toen deel uit van de inrichting van de graanmolen.
Eigenaresse werd Elisabeth Hubertina Dick, de weduwe van Willem Peeters, voor 12.570 gulden. In die tijd had de watermolen een bovenslagrad, waarmee zowel de graan- als de oliemolen werd aangedreven.
Op 13 oktober 1883 vroeg de weduwe Peeters toestemming om dit rad te vernieuwen; het volgende jaar werd het nieuwe rad in gebruik genomen.
De middellijn daarvan bedroeg ongeveer 4,00 m en de breedte 1,24 m.
Bij testamentaire deling en successie op 31 mei 1892 werden Lambert Peeters, molenaar in Venlo voor 2/3 deel, en Herman Peeters, die de molen namens zijn moeder bij de publieke veiling had gekocht, voor 1/3 deel eigenaar. Op 20 augustus 1893 lieten zij door notaris Roersch te Venlo de erfenis van hun moeder, de Bovenste Houtmolen, gelegen in de Bantuin, openbaar verkopen. Het goed, bestaande uit: twee woonhuizen met schuur, stallen, molen, tuin, tuinhuis, boomgaarden, vijvers, waterleidingen, enz. werd toegewezen aan de hoogst biedende. Dit was Leonard Hubert Loven, bakker te Horn, die de koop voor 18.100 gulden aannam als gemachtigde van en voor Henri of Hendrik Antoon Hubert van Boom, koopman, en Jacob Mathijs van Gasselt, aannemer, beide wonende in Venlo.

Kort na de eeuwwisseling vonden er op de Bovenste Molen de volgende gebeurtenissen plaats. In 1900 werd een huis met de aanliggende bergplaats gesloopt en in 1902 brandde de molen met het aanpalende huis en de schuur af. In 1903 werd het huis met de bergplaats herbouwd en in 1904 het huis met de molen en de schuur. Het nieuwe molengebouw werd dwars over de beek gebouwd. In de oostelijke gevelmuur bevond zich een opening, waarin de maalsluis was geplaatst die van een windwerk (heugelstang met rondsel) was voorzien. Bij de molen lag een afslag, waarvan de bovenmond zich in de westelijke oever van de vijver boven de molen bevond. De afslag kon met een sluis worden afgesloten.

Gedeputeerde Staten hadden op 20 maart 1903 aan Van Boom en Van Gasselt toestemming verleend om een nieuw ijzeren bovenslagrad te hangen met een middellijn van 3,70 m en een breedte van 1,00 m. Dit rad verving het waterrad dat de weduwe Peeters nog door molenmaker Van der Steen uit Venlo, die met het onderhoud van de molen was belast, had laten aanbrengen. De firmanten Van Boom en Van Gasselt te Venlo schreven op 17 maart 1904 een brief aan Gedeputeerde Staten waarin zij meldden dat hoewel het waterrad bij vernieuwing kleiner was geworden, de werking van de molen door het onderwater werd belemmerd, in het bijzonder als het water bij ‘De Onderste Molen’ tot aan het molenpeil werd gestuwd.
De firmanten verzochten in de brief Gedeputeerde Staten verbetering in de situatie te brengen. Bij het onderzoek bleek, dat de vergaarvijver bij ‘De Onderste Molen’ geheel was verzand. Dit werd voornamelijk toegeschreven aan het kleidelven in de nabijheid van ‘De Bovenste Molen’, waardoor grote hoeveelheden fijn zand door de beek werden afgevoerd. De vijver diende uitgegraven te worden, waartoe de provincie de molenaar echter niet kon verplichten.
In 1926 werden de goederen van ‘De Bovenste Molen’ verkocht aan de N.V. Landexploitatie-Maatschappij ‘De Bovenste Houtmolen’, gevestigd te Tegelen. (N.V. Jos Kurstjens Industrie en Handelsmaatschappij te Tegelen, die in de omgeving de klei- en leemgroeven exploiteerde.) Het volgend jaar werd de molen verbouwd en hield op als molen te bestaan. Reeds eerder was er een café en vervolgens een café-restaurant gevestigd, dat in het begin van de jaren dertig werd uitgebreid tot pension voor vakantie- en weekeindeverblijf. Tegenwoordig staat er het fraaie hotel-café-restaurant ‘De Bovenste Molen’, gelegen in een mooi wandelgebied met door beuken- en kastanjebomen omzoomde wegen. De vijver en twee fraaie kantstenen van de kollergang (middellijn 1,80 m, breed 0,55 m.) met hun zware ijzeren naven, die aan beide zijden van de ingang zijn geplaatst, vormen de laatste overblijfselen van de watermolen.

aanvullingen

trivia

Van deze watermolen resten dus alleen nog wat kantstenen en de stuwvijver.

foto's

foto's