Molen Heisterbrugger korenmolen, Schinnen

Schinnen, Limburg
v

korte karakteristiek

naam
Heisterbrugger korenmolen
modeltype
Watermolen
functie
runmolen, korenmolen
bouwjaar
verdwenen
toestand
restant
beek
Geleenbeek
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt  
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt
Ten Bruggencate-nr.
11047
oude dbnr.
V389
Meest recente aanpassing
media-bestand
Molen 11047 Heisterbrugger korenmolen (Schinnen)
Foto:Pierre Vossen, opname 9-11-2003

locatie

plaats
Schinnen
plaatsaanduiding
Veerweg 9, op de vm. rechteroever
beek
Geleenbeek
gemeente
Beekdaelen, Limburg
streek
Zuid-Limburg
kadastrale aanduiding 1811-1832
Schinnen D (1) 29 (gebouw) Karel Gaspard Deweichs de Wenne, rentenier
geo positie
X: 189238, Y: 328196
N: 50.94246, O: 5.87433

constructie

modeltype
Watermolen
krachtbron
water
kenmerken
functie
inrichting
N.v.t., het molenwerk is eruit gesloopt
gangwerk
wateras
rad
rad diameter
afbeelding van onze ondersteuners

geschiedenis

toestand
restant
bouwjaar
verdwenen
onttakeld
geschiedenis
Ten westen van Schinnen ligt Heisterbrug, een hoogte, die afloopt naar het dal van de Geleenbeek. Dit dal was van Thull tot aan St. Jansgeleen een van de mooiste beekdalen van Limburg en is dat gedeeltelijk nog, hoewel de verbetering van de Geleenbeek daaraan afbreuk heeft gedaan.
De molen van Heisterbrug, vroeger IJsterbrug genoemd, was een karakterestieke Limburgse watermolen, gebouwd van baksteen in vakwerk met witgekalkte muren en voorzien van een pannen-zadeldak. Evenals de hierna genoemde Borgermolen behoorde hij tot de bezittingen van de Heren van Schinnen, die vanaf 1403 tot in de Franse Tijd uit het geslacht Schellart van Obbendorf stamden. In 1566 liet Daem Schellart van Obbendorf de watermolen als oliemolen bouwen. In 1727 werd de molen vernieuwd.
Op 1 oktober 1795 werd de heerlijkheid Schinnen, die een groot leen van Valkenburg was, bij Frankrijk ingelijfd en werden alle rechten afgeschaft. Het Huis of het kasteel van Schinnen met de beide molens bleef echter in het bezit van het geslacht Schellart. De laatste Heer was Adam Alexander, graaf van Schellart van Obbendorf (1767-1795). Hij was tevens Heer van Geysteren en Oostrum in Noord-Limburg en gehuwd met Isabella Maria Regina Antonetta, rijksgravin Von und Zu Hoensbroech. Hun enige kind Maria Theresia, verongelukte op 3-jarige leeftijd. De graaf overleed in 1804 te Düsseldorf op het kasteel Haen en had zijn belangrijk fortuin met onder andere goederen in Schinnen en Geysteren vermaakt aan zijn nicht Marianne of Maria Anna Ludovica Frederica Johanna Sibilla, rijksgravin Von und Zu Hoensbroech, kanonikes in het stift van Thorn. Na de opheffing van het stift vestigde zij zich in Venlo en huwde in 1806 te Roermond met Caspar Carel, baron de Weichs de Wenne. Het echtpaar vestigde zich op het kasteel van Geysteren. Door dit huwelijk gingen de goederen in Schinnen, waaronder het kasteel van Schinnen met de Borgermolen en de molen van Heisterbrug, over aan de familie de Weichs de Wenne.
In 1844 vestigde hun zoon Clemens, gehuwd met Emma Maria Francisca, barones De Loe Imstenraedt, zich op het kasteel Schinnen. Het kasteel was sinds 1794 onbewoond en moest grote herstellingen ondergaan. De familie verliet het kasteel weer in 1850 en vestigde zich in Geysteren, waar baron Caspar in hetzelfde jaar overleed.
In 1846 had hij bij het provinciaal bestuur een verzoek ingediend om bij de molen van Heisterbrug een schorsmolen te mogen bouwen. Deze molen, gelegen op de rechteroever, kwam in 1848 gereed. Hij werd aangedreven door een onderslagrad met een middellijn van 5,12 m. en een breedte van 0,85 m., terwijl de oliemolen op de linkeroever een waterrad met een middellijn van 4,66 m. en een breedte van 0,72 m. had.
De oliemolen brandde in 1863 af en werd niet meer als molen maar als landbouwschuur herbouwd, de schorsmolen werd in 1891 verbouwd tot korenmolen.
In 1853 vond de deling van de nalatenschap van baron Caspar plaats en werd baron Clemens eigenaar van de molen van Heisterbrug met huis, stal, erf en gronden. Bij een deling in 1895, na de dood van baron Clemens, kreeg Maria, barones de Weichs de Wenne, kloosterzuster in Namen (B.) de molen met toebehoren toegewezen. Zij kreeg in 1898 van het provinciaal bestuur toestemming om het onderslagrad van de korenmolen te vervangen door een middenslagrad met een krop dat een middellijn van 5,20 m. had en een breedte van 1.00 m. Een overeenkomstig rad met ijzeren schoepen werd tot aan de stillegging van de molen gebruikt.
In 1905 verkocht zuster Marie de molen met aanhorigheden aan de landbouwer en molenaar Hendrik Joseph Keulers, gehuwd met Pauline Hennekens, te Lutterade-Geleen, die zich daarna op Heisterbrug vestigde.

Het draaien van de molen werd later bemoeilijkt door mijnverzakking van het molengebouw. De vervuiling van de Geleenbeek daarentegen had weinig invloed op het functioneren van het waterrad.
Boven de molen lag in de afslagtak een verdeelwerk met een lossluis. In het gebint bij de molen bevonden zich drie lossluizen en een maalsluis, waarvan het windwerk van binnenuit met een as werd bediend. In 1939 werd het stuwrecht van de Heisterbrug- en de Borgermolen afgekocht, waarna de beek werd verlegd. Tot in het begin van de jaren zestig maalde de toenmalige eigenaar Cranssen alleen nog voor eigen gebruik met één koppel stenen, dat door een riemschijf van een trekker werd aangedreven. De molen had toen nog twee koppel stenen op een houten bedding met een ondergangwerk.
Johannes Hubertus Cranssen had het huis met schuren en molen in 1953 gekocht van Andree Hubert Marie Keulers, die na de dood van zijn ouders bij de deling eigenaar was geworden. De zes kinderen Cranssen verkochten als erven deze goederen in 1971 aan Gerarda Anna Maria Geul te Hoogkarspel, gehuwd met Johannes Nicolaas Overtoom, die zich op Heisterbrug vestigde. Het oude molengebouw staat er nog maar voor het overige herinnert er niets meer aan de watermolen.
nog waarneembaar